Onderwijs is een grondrecht dat verankerd is in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en het Verdrag inzake de Rechten van het Kind. Toch wordt het in contexten van gewapend conflict een van de moeilijkst te garanderen rechten. In de Democratische Republiek Congo (DRC), de Centraal-Afrikaanse Republiek (CAR) en Kameroen zien miljoenen kinderen hun toekomst bedreigd door aanhoudende onveiligheid, massale ontheemding en de vernieling van scholen.
In Kameroen blijft onderwijs, een grondrecht dat gewaarborgd wordt door de grondwet en internationale verdragen, ernstig bedreigd in verschillende regio’s die door humanitaire crises getroffen zijn. Vandaag hebben duizenden kinderen in het Noordwesten, het Zuidwesten en het Uiterste Noorden geen toegang meer tot school, als rechtstreekse slachtoffers van gewapende conflicten, terroristische aanslagen en gedwongen ontheemding.
De teams van SAPI (Save the People International), actief in deze drie landen, zien elke dag de gevolgen van conflicten op de scholing en het welzijn van kinderen, en zijn dagelijks getuige van zowel de obstakels als de veerkracht van kinderen, gezinnen en gemeenschappen.
1. Een bedreigd grondrecht
1.1. Aanvallen op scholen en wijdverspreide onveiligheid
In conflictgebieden worden scholen doelwitten: militaire bezetting, plundering, vernieling en bedreigingen tegen leerkrachten. Die aanvallen schenden de Verklaring inzake Veilige Scholen (Safe Schools Declaration), die nochtans door de DRC en de CAR werd ondertekend.
- In de DRC, vooral in Noord-Kivu, Zuid-Kivu en Ituri, sluiten elk jaar honderden scholen. In Masisi, Noord-Kivu, bezetten gewapende groepen rond 2023 verschillende scholen in de zones Kitchanga en Mweso, en in 2024-2025 in de zone Katoyi, waardoor duizenden kinderen thuis moesten blijven. Sommige klaslokalen werden omgebouwd tot militaire bases.
- In de CAR leiden aanvallen van gewapende groepen tot langdurige sluitingen, waardoor kinderen een essentiële beschermende ruimte verliezen. In Ouaka en Haute-Kotto werden in 2022 scholen die door humanitaire ngo’s in de regio waren gebouwd, tijdens gevechten geplunderd, waarbij banken, borden en schoolkits werden vernield.
- In de Kameroense regio’s Noordwest en Zuidwest heeft de sociaal-politieke crisis volgens internationale organisaties sinds het begin van de Engelstalige crisis meer dan 4.000 scholen doen sluiten. In plaatsen zoals Kumbo of Mamfe werden leerkrachten bedreigd of ontvoerd omdat ze probeerden de lessen te laten doorgaan.
1.2. Massale ontheemding en onderbroken schoolloopbanen
Gewapende conflicten hebben herhaaldelijk tot ontheemding geleid, zoals momenteel in de DRC in de door M23-rebellen bezette gebieden en in de provincie Ituri. Intern ontheemde en gevluchte kinderen moeten vaak stoppen met school bij gebrek aan geschikte onderwijsvoorzieningen. In de DRC gaat het om miljoenen ontheemden, terwijl gezinnen in de CAR en Kameroen in kampen of gastgemeenschappen leven waar de scholen overvol zijn of niet bestaan.
Conflicten dwingen gezinnen te vluchten, waardoor de schoolloopbaan van kinderen abrupt wordt afgebroken.
Voorbeelden:
- DRC (Ituri): een meisje van 12, ontheemd van Djugu naar Bunia, vertelt dat ze in twee jaar drie keer heeft moeten vluchten. Telkens verloor ze maanden school.
- CAR (Bangassou): ontheemde gezinnen leven in kampen waar alleen informele leerstructuren beschikbaar zijn, vaak zonder gekwalificeerde leerkrachten.
- Kameroen (Uiterste Noorden): de aanvallen van Boko Haram drijven gezinnen naar Mora en Maroua. In sommige kampen is er maar één school voor honderden gevluchte en ontheemde kinderen.
2. Ingrijpende gevolgen voor kinderen
2.1. Leerachterstand en het risico op definitieve schooluitval
Na herhaalde onderbrekingen keren veel kinderen nooit meer terug naar de klas.
Voorbeelden:
- DRC: in de ontheemdenkampen van Nyiragongo ontmoet SAPI geregeld kinderen die twee tot drie leerjaren hebben verloren. Sommige tieners, te oud om terug te keren naar de lagere school, stoppen definitief.
- CAR: langdurige schoolsluitingen in Ouaka hebben honderden meisjes ertoe gebracht te stoppen met school en vroeg te trouwen.
- Kameroen: in het Zuidwesten zijn sommige scholen sinds 2017 niet meer opengegaan, waardoor een “verloren generatie” is ontstaan van kinderen die hun hele tienertijd buiten het schoolsysteem hebben doorgebracht.
2.2. Rekrutering door gewapende groepen
In de Democratische Republiek Congo blijft de rekrutering van kinderen door gewapende groepen een alarmerende realiteit, ondanks jarenlange demobilisatie-inspanningen. In Noord-Kivu, Ituri, Zuid-Kivu en delen van Maniema stellen de toenemende gevechten en het gebrek aan functionerende scholen kinderen bloot aan een groter risico op gedwongen of vrijwillige rekrutering. Armoede, permanente onveiligheid, het verlies van ouders, schoolsluitingen en het gebrek aan perspectief drijven veel kinderen naar gewapende groepen, op zoek naar bescherming, voedsel of een gevoel erbij te horen. Kinderen die niet naar school gaan, zijn bijzonder kwetsbaar.
Sinds de heropleving van M23 in Noord-Kivu in 2022 heeft de opkomst van de Wazalendo, volkse zelfverdedigingsgroepen die zich mobiliseren om hun dorpen te “beschermen” tegen de offensieven van M23, geleid tot een diffuse en moeilijk te beheersen militarisering van jongeren.
Waarom vormen de Wazalendo een uitdaging voor kinderbescherming?
- Geen formele structuur: het zijn niet-statelijke groepen zonder duidelijke hiërarchie of tuchtmechanisme. Controle op rekrutering bestaat zo goed als niet.
- “Vrijwillige” deelname van kinderen: veel tieners sluiten zich in verschillende dorpen in Noord-Kivu, Zuid-Kivu en Ituri in de DRC bij deze groepen aan in de overtuiging dat ze “hun gemeenschap verdedigen”. Die “vrijwillige” deelname blijft illegaal: elke betrokkenheid van een minderjarige bij een gewapende groep is verboden, ook als het kind zich uit eigen beweging aanmeldt.
- De sociale normalisering van geweld: in sommige plaatsen ziet de bevolking deze groepen als “beschermers”. Jongeren worden aangemoedigd of geprezen als ze zich aansluiten, maar de groepen plunderen de bezittingen van dezelfde bevolking die hen aanspoorde om zich bij de Wazalendo-beweging aan te sluiten om het land te redden.
- Een volledig gebrek aan DDR-mechanismen (ontwapening, demobilisatie en re-integratie). Anders dan bij andere gewapende groepen bestaat er geen gestructureerd programma om kinderen die bij de Wazalendo betrokken zijn te demobiliseren. Het Programma voor Ontwapening, Demobilisatie, Herstel van de Gemeenschap en Stabilisatie (P-DDRCS) kampt met een kritiek financieringstekort, waardoor het nauwelijks ex-strijders en kinderen die gewapende groepen in het oosten van de DRC hebben verlaten, kan opvangen. Transitcentra hebben te weinig middelen voor huisvesting, voeding, medische zorg, psychosociale steun en re-integratie. Zonder duurzame financiering blijven verschillende structuren gesloten of slechts gedeeltelijk operationeel. Dat vertraagt de demobilisatie, verhoogt het risico op herrekrutering en brengt de bescherming in gevaar van kinderen die onmiddellijk gespecialiseerde zorg nodig hebben.
- Vage grenzen met de FARDC (burgersteun). Omdat sommige Wazalendo de loyalistische strijdkrachten (FARDC) ondersteunen, vervaagt in verschillende gebieden, zoals Uvira in Zuid-Kivu, de grens tussen het officiële leger en informele zelfverdedigingsgroepen. Dat maakt het moeilijker om kinderen die bij gewapende groepen betrokken zijn te identificeren, eruit te halen en door te verwijzen naar beschermingsprogramma’s. In Noord-Kivu (Rutshuru, Masisi, Nyiragongo) hebben tieners van 14 tot 17 jaar zich na aanvallen van M23 bij de Wazalendo aangesloten om hun dorpen te “verdedigen”.
- In Ituri vormen zelfverdedigingsgroepen zich in sommige Hema-dorpen opnieuw zodra de reguliere strijdkrachten zich terugtrekken. Kinderen doen mee als informant, drager of verkenner. In Zuid-Kivu (Fizi, Uvira) worden ontheemde jongeren die geen toegang meer hebben tot school gemakkelijker ingelijfd door lokale zelfverdedigingsgroepen.
2.3. Kinderen betrokken bij strijdkrachten en gewapende groepen: een grensoverschrijdend probleem
Het fenomeen van kinderen die betrokken zijn bij gewapende groepen reikt veel verder dan de landsgrenzen. Het is een regionaal en grensoverschrijdend probleem dat de hele regio van de Grote Meren, de Sahel en veel gebieden met langdurige conflicten treft. In deze contexten van chronische onveiligheid, instortende sociale voorzieningen, falende staten en extreme armoede worden duizenden kinderen gerekruteerd, ingezet of uitgebuit door gewapende actoren. Hun inlijving is nooit een echte keuze: ze is het gevolg van geweld, gebrek aan bescherming, schooluitval of rechtstreekse druk van gewapende groepen.
De rollen die kinderen krijgen, zijn talrijk en gaan veel verder dan het beeld van de “kindsoldaat”. Velen worden ingezet als drager en sjouwen munitie, voedsel of zwaar materiaal over lange afstanden. Anderen worden gedwongen om als informant, spion of uitkijk te dienen, vaak in de frontlinie van het gevaar. Meisjes zijn bijzonder kwetsbaar: naast hun inzet als kok of huishoudhulp worden ze vaak onderworpen aan seksueel geweld, gedwongen “huwelijken” of seksuele slavernij. In verschillende recente conflicten werden sommige kinderen als boodschapper gebruikt en andere, verontrustend genoeg, als menselijk schild tijdens gevechten.
Ook als ze geen wapens dragen, vallen deze kinderen onder de internationale definitie van kinderen die betrokken zijn bij strijdkrachten of gewapende groepen, zoals vastgelegd door de Verenigde Naties. Die definitie omvat elk kind dat vrijwillig of gedwongen verbonden is aan reguliere strijdkrachten of gewapende groepen, ongeacht zijn rol. Die brede benadering moet een sterkere bescherming garanderen en elke vorm van discriminatie in ontwapenings- en re-integratieprogramma’s voorkomen.
De grensoverschrijdende dimensie is bijzonder uitgesproken in de Sahel en de regio van de Grote Meren, waar poreuze grenzen en massale ontheemding het makkelijker maken om kinderen van het ene gebied naar het andere over te brengen. Zo kunnen kinderen die in de DRC gerekruteerd zijn, worden overgebracht naar andere gebieden onder controle van gewapende groepen, terwijl jihadistische groepen in de Sahel tegelijk actief zijn in Mali, Burkina Faso en Niger, wat leidt tot voortdurende verplaatsingen van betrokken kinderen.
Deze realiteit vraagt om regionale samenwerking, grensoverschrijdende beschermingsmechanismen en vooral een stevig engagement om de systemen voor onderwijs, kinderbescherming en geweldpreventie in alle kwetsbare gemeenschappen te versterken.
3. Gebrek aan onderwijs als factor van kwetsbaarheid voor rekrutering van kinderen door gewapende groepen
Onderwijs is een van de belangrijkste mechanismen voor kinderbescherming in situaties van gewapend conflict. Wanneer het ontbreekt, onderbroken wordt of onbereikbaar is, worden kinderen blootgesteld aan tal van risico’s, waarvan gedwongen of vrijwillige rekrutering door gewapende groepen een van de ernstigste is.
Zonder toegang tot school verliezen kinderen niet alleen een plek om te leren, maar ook een veilige omgeving, een beschermend sociaal netwerk en positieve begeleiding door volwassenen. In gebieden met langdurige conflicten, zoals de Democratische Republiek Congo (DRC), de Centraal-Afrikaanse Republiek (CAR) en het Uiterste Noorden van Kameroen, wordt deze onderwijscrisis een doorslaggevende factor die kinderen in de armen van gewapende groepen drijft.
In de DRC is de situatie bijzonder alarmerend in de territoria Rutshuru en Masisi in Noord-Kivu, Uvira en Fizi in Zuid-Kivu en Djugu in de provincie Ituri. Herhaalde schoolsluitingen, massale ontheemding en extreme armoede duwen veel kinderen uit het schoolsysteem. Zonder begeleiding en zonder perspectief vertellen verschillende jongens dat ze werden benaderd door gewapende groepen die hun voedsel, geld, bescherming of zelfs aanzien in de gemeenschap beloofden.
In een context waarin sommige gezinnen amper één maaltijd per dag kunnen garanderen, worden die beloften, hoe misleidend en gevaarlijk ook, aantrekkelijk voor tieners die proberen te overleven. Het gebrek aan school creëert zo een structureel vacuüm dat gewapende groepen handig uitbuiten om kinderen aan te trekken, te manipuleren of te dwingen zich bij hen aan te sluiten.
In de Centraal-Afrikaanse Republiek, vooral in de prefectuur Nana-Grébizi, worden kinderen die niet naar school gaan een makkelijk doelwit voor gewapende groepen, die hen vaak inzetten als boodschapper, uitkijk, drager of informant. Waar scholen door de onveiligheid vernield of gesloten zijn, brengen kinderen hun dagen door op straat of op het veld, wat hun blootstelling aan strijders sterk vergroot. Beroofd van onderwijs en bescherming worden deze kinderen door gewapende groepen gezien als makkelijk uit te buiten middelen: ze verplaatsen zich snel, wekken weinig argwaan en zijn kwetsbaarder voor dwang.
In het Uiterste Noorden van Kameroen buit Boko Haram het gebrek aan toegang tot school strategisch uit om kinderen uit verarmde plattelandsgemeenschappen te rekruteren. Schoolsluitingen na aanvallen, onveiligheid op de wegen en de vernieling van schoolgebouwen hebben honderden dorpen zonder enig functionerend onderwijssysteem achtergelaten.
Vooral jongens van 10 tot 15 jaar zijn het doelwit: ze worden ingelijfd als strijder, spion of drager, vaak onder rechtstreekse bedreiging van hun familie. Soms zwichten de ouders zelf, ontmoedigd door armoede en het gebrek aan alternatieven, voor bedreiging of manipulatie.
In de drie landen herhaalt zich hetzelfde mechanisme: hoe meer het onderwijs instort, hoe meer kinderen worden gerekruteerd. School speelt dus een fundamentele rol, niet alleen om te leren, maar ook als beschermend schild tegen geweld, uitbuiting en militarisering. Infrastructuur herstellen, kinderen in de klas houden, programma’s voor onderwijs in noodsituaties versterken en een veilige schoolomgeving bieden zijn essentiële hefbomen om te voorkomen dat kinderen in gewapende groepen terechtkomen en om de spiraal van geweld te doorbreken.
